Je weet, maar weet niet

Veifgever: Ben Dubbeldam
Woorden: vrijdagmiddag – vijf – uur – je – weet 

Het is een koude vrijdagmiddag in januari. De klok wijst bijna vijf uur aan als Philip plotseling uit zijn stoel opstaat en naar de gang loopt. “Wat ga je doen?”, vraagt zijn vrouw Charlotte. “Ik ga sigaretten halen”, antwoordt Philip. “Waarom?”, roept Charlotte uit. “Je rookt al meer dan dertig jaar niet meer.” Philip bromt iets onverstaanbaars. “Wacht” , roept Charlotte, “ik ga met je mee.” Maar Philip is al weg.

Het is al bijna veertig jaar geleden dat Charlotte Philip ontmoette. Ze herinnert zich nog goed dat ze op slag verliefd op hem was. Hij was knap, lief en zorgzaam. En tot haar grote vreugde bleek de liefde wederzijds. Ze trouwden, kregen drie prachtige kinderen en hadden een mooi leven.
Maar een jaar geleden veranderde er iets. Philip was nog altijd knap en lief, maar het zorgzame verdween heel langzaam. Hij begon steeds vaker dingen te vergeten en was vaak in de war. Charlotte probeerde er met hem over te praten, maar het leek wel of hij haar niet meer begreep. Zij kreeg steeds meer het idee dat hij in zijn eigen wereld leefde en wendde zich tot de huisarts.
De arts begreep haar zorgen en liet onderzoeken uitvoeren. “Uw man lijdt aan dementie”, besprak de arts de uitkomsten van de onderzoeken met Charlotte en Philip. Charlotte begreep het. Philip niet.

In het jaar dat volgde zag Charlotte haar man steeds meer veranderen. Hij vergat steeds meer en leefde met zijn gedachten almaar meer in het verleden. Steeds vaker merkte ze dat Philip haar en de kinderen niet meer herkende. Een gesprek was alleen nog maar mogelijk als hij een helder moment had. Het was ook al twee keer gebeurd dat hij na een wandeling de weg naar huis niet meer wist. Om te voorkomen dat hij onverwacht weer naar buiten zou gaan, had Charlotte zijn schoenen en jassen opgeborgen in een kast die ze op slot deed. Het deed haar pijn, maar ze zag geen andere manier om te voorkomen dat hij alleen naar buiten zou gaan.

Charlotte heeft op deze koude vrijdagmiddag in januari snel haar schoenen en jas aangetrokken en is naar buiten gerend in de hoop haar man nog te zien. Maar waar ze ook kijkt… er is geen Philip te zien. “Hoe kon ik zo stom zijn om te vergeten de voordeur op slot te doen”, verwijt ze zichzelf hardop, terwijl ze richting tabakswinkel rent. Af en toe stopt ze even om aan voorbijgangers te vragen of ze misschien een man hebben gezien zonder jas en op pantoffels. Maar niemand heeft hem gezien. Ook in de tabakswinkel en in de supermarkt is hij niet gesignaleerd.

Zo snel als ze kan, rent Charlotte terug naar huis. Als ze haar straat inkomt, ziet ze bij haar voordeur twee mannen en een vrouw staan. Eén van de mannen is Philip. “Philip”, roept Charlotte uit. Ze rent naar hem toe en vliegt hem om de hals. “Goddank! Je bent er weer.” Dan wendt ze zich tot de man en de vrouw. Zij stellen zich voor als Arend en Jeanette. “Wij waren in het park aan het wandelen en zagen hem lopen”, vertelt Jeanette. “Omdat hij geen jas aan heeft en op pantoffels loopt, hadden wij meteen het gevoel dat er iets niet klopte. We hebben hem aangesproken. Hij was erg in de war, wist zijn naam niet en kon ons ook niet vertellen wat hij in het park deed. Toen zagen we opeens het polsbandje met zijn gegevens en stelden we voor hem naar huis te brengen. Gelukkig ging hij mee.”
“Wat hadden jullie gedaan als hij niet mee was gegaan?”, vraagt Charlotte. “Dan hadden wij de politie gebeld en waren we hem net zo lang gevolgd tot de politie ter plaatse zou zijn”, antwoordt Arend. “Wat ben ik blij dat jullie hem tegen zijn gekomen. Ik ben jullie eeuwig dankbaar”, zegt Charlotte, terwijl tranen over haar wangen rollen.

Als Arend en Jeanette zijn vertrokken en Charlotte weer een beetje tot rust is gekomen, gaat ze naast Philip zitten. Ze pakt zijn hand en zegt zacht: “Ik hou van je.” Philip kijkt haar aan. Op zijn gezicht verschijnt een glimlach. “Je begrijpt me hè?”, vraagt Charlotte. Philip knikt. Dan betrekt zijn gezicht. In zijn ogen zijn tranen zichtbaar. “Ik weet dat ik het niet allemaal meer weet. Jij bent lief.”
Charlotte geeft haar man een kus. “Ik zal er altijd voor jou zijn”, zegt ze. “Maar je moet beloven dat je nooit meer alleen op pad gaat om sigaretten te halen.”
Philip kijkt haar niet-begrijpend aan.

 

Geef een antwoord

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *