Millimetertje niets

Deze week had ik het weer. Een woord dat zich in mijn hoofd nestelde en zich daar maar bleef herhalen. In eerste instantie besteedde ik er geen aandacht aan, want ach… het woord stelt eigenlijk niets voor. Het is niet meer dan een millimetertje niets. Maar naarmate de week vorderde, nam het woord toch mijn denken in beslag. Al die millimetertjes niets namen bij elkaar een fikse ruimte in mijn brein in. En al stelt het woord eigenlijk niets voor, je kunt niet zonder. Ja, het kan wel, maarzonderspatiewordteenzinernietleesbaarderopenzetWordertijdenshetschrijveneenrodekronkelstreeponder.

Hoe de spatie in mijn hoofd terecht is gekomen, weet ik niet. Opeens was hij er. Misschien is dat eeuwen geleden ook zo gegaan bij degene die de spatie heeft bedacht en hem z’n naam heeft gegeven. De spatie is hoe dan ook een belangrijke ontdekking geweest. Waarom zou het millimetertje niets anders vroeger op schrijfmachines en tegenwoordig op toetsenborden van computers een hele balk hebben gekregen? Daar waar letters, cijfers en leestekens het met kleine toetsen moeten doen. Praktisch gezien ben ik daar overigens wel blij mee, want stel je eens voor dat voor cijfers, letters en leestekens ook balken waren bedacht. Je zou een metersgroot onwerkbaar toetsenbord –beter gezegd balkenbord- krijgen. Met tien vingers typen is dan schier onmogelijk.

Nu zou dat voor mij geen probleem zijn, want ik kan sowieso niet met tien vingers typen. Ik heb in een grijs verleden, ergens tijdens de middelbare school, wel typeles gehad en ook examen gedaan, maar daar ben ik cum laude voor gezakt. Ik zie me nog zitten in het lokaal met lange tafels waarop van die grote vierkante zwarte typemachines stonden. De lessen werden gegeven door een oudere dame met een knot in het haar. Zij sprak het werkwoord typen uit als tijpen. Het kan ook teipen zijn geweest. Dat verschil heb ik destijds niet kunnen waarnemen. De dame deelde boekjes uit die je dan naast de typemachine moest neerleggen en waaruit je, zonder op het toetsenbord te kijken, teksten moest overtikken. Nou, tikken… zeg maar rammen, want de toetsen van toen moesten er stevig van langs krijgen om letters op het papier te produceren. Of het met mijn motoriek te maken had of dat er wat mis was met de coördinatie tussen mijn hersenen en mijn handen, weet ik niet, maar feit is dat het mij niet lukte om de tekst uit het boekje letterlijk op het vel in de typemachine te rammen. En zelfs als ik stiekem toch naar het toetsenbord keek, lukte het me niet om dan ook nog het vereiste aantal aanslagen per minuut te halen.

Zelf heb ik daar overigens wel een verklaring voor. Het ligt aan de volgorde van de letters op het toetsenbord. Die komt niet overeen met het alfabet, dat ik op de lagere school in mijn hoofd heb gestampt en talloze malen heb moeten opdreunen. Ik kende het van A tot Z. De uitvinder van de typemachine vond het echter kennelijk nodig om de letters van het alfabet op het toetsenbord door elkaar te sodemieteren. Niet logisch. En bovendien beledigend voor de man of vrouw die ergens ver voor Christus het alfabet heeft bedacht. Ik stel me zo voor dat iemand destijds wekenlang letters in de wand van een grot heeft zitten beitelen. Na 26 letters vond hij of zij het wel voldoende. De letters stonden alleen nog niet in een volgorde die zich lekker in het hoofd liet stampen en dus moest er nog flink gehusseld worden. Na nog een paar weken beitelen was hij/zij er uit. Het werd A B C D E enz. tot aan de Z. Makkelijk te leren en ritmisch op te dreunen. Zelfs voor mij. En toen kwam de uitvinder van de schrijfmachine met zijn volgorde van de letters. Ik heb mijn best gedaan om die volgorde in mijn hoofd te stampen, opdat ik de toetsen blind kan vinden, maar na Q W E R T Y haak ik af.

Daarom tik ik mijn verhalen met twee wijsvingers, terwijl ik naar mijn toetsenbord kijk. En na elk woord plaats ik een spatie, een millimetertje niets. Zonder te kijken, want mijn rechterduim weet de spatiebalk blindelings te vinden.

Geef een antwoord

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd.