Het zal de leeftijd zijn

Gisteren was ik jarig. Ik ben 63 geworden. Dat is veel ouder dan ik vroeger dacht te zullen worden. Ik zal een jaar of negen geweest zijn toen het gerucht de ronde deed dat de wereld in 2000 zou vergaan. Ik kon toen al een beetje rekenen en had becijferd dat ik 47 zou zijn als de wereld op 1 januari 2000 zou vergaan. Mocht de wereld na 28 mei in dat jaar ophouden te bestaan, zou ik dus hooguit 48 worden. Ik heb me daar in mijn verdere jeugdjaren echter nooit meer zo mee beziggehouden. Ik had immers nog een jaar of 38, 39 te gaan en wie dan leeft, wie dan zorgt.

Later is de leeftijd van 48 jaar me veel meer gaan intrigeren. Dat was vanaf 1979. In dat jaar overleed mijn moeder. Op 48-jarige leeftijd. De tijd verstreek. Het werd 1 januari 2000. De wereld verging niet. Althans, ik heb het niet gemerkt. (Mocht de wereld toen wel zijn vergaan, ben ik kennelijk de enige overlevende en zit ik dit verhaal voor niks te schrijven, want dan is er niemand die het leest.) Maar dit, zoals u ziet, tussen haakjes.

Het werd 28 mei 2000. Ik vierde mijn 48e verjaardag. (Er kwam visite, dus zal de wereld toch niet zijn vergaan.) Ik weet nog goed dat ik de dag doorbracht met gemengde gevoelens. Maar ook in de rest van dat levensjaar dacht ik vaak aan mijn moeder. Zij had niet mogen meemaken dat haar kinderen trouwden en kinderen kregen. Ik weet dat mijn moeder dit ontzettend graag had willen beleven. Zij zou een fantastische schoonmoeder en oma zijn geweest.

De wereld is er nog steeds en ik hobbel, zij het af en toe wat moeizaam, ook nog altijd mee. Sinds gisteren ben ik 63. Een leeftijd, waarvan ik in mijn jeugd altijd heb gedacht dat je dan stokoud bent en altijd maar weer herinneringen aan vroeger ophaalt. Ik kan u nu zeggen: dat is ook zo. Ik mag graag en vaak terugdenken aan vroeger, aan mijn jeugd. Het zal de leeftijd zijn…

Ik heb een fijne jeugd gehad. Mijn ouders hadden het financieel gezien niet breed, maar mijn moeder slaagde erin rond te komen met het geld dat mijn vader met hard werken verdiende. We woonden in een eenvoudig rijtjeshuis aan de Langegeer, een singel in Rotterdam-Vreewijk. “Tuindorp-Vreewijk”, zei mijn moeder altijd vol trots. Een huis, waarin altijd geluid klonk. Er was nooit een moment van stilte. Als er geen gesprekken waren, knaagden er altijd wel ratten aan iets onder de vloer of tussen het plafond en de vloer van de bovenverdieping. Luxe was er niet in de woning. Aanvankelijk was er niet eens een douche. Toen die voorziening tijdens een ingrijpende renovatie wel werd aangelegd, vond mijn moeder dat een prima plek om de wasmachine – zo’n ouderwetse met schoepen en een wringer er bovenop- neer te zetten. Badderen deden we in een teil voor de kachel.

Ik heb mooie herinneringen aan mijn moeder. Zij was liefdevol en zorgzaam. Als ik ziek was, schoof mijn moeder de twee Liberty-fauteuils die in de kleine woonkamer stonden tegen elkaar aan. Zo creëerde zij een bed in de kamer en daar mocht ik overdag dan liggen. Dat was heel gezellig. Ik was dan ook graag ziek. Het enige nadeel was wel dat je ook echt ziek moest zijn. Mijn moeder schoof niet zomaar die fauteuils tegen elkaar. Het ziekzijn moest wel eerst door haar worden vastgesteld. Daartoe kwam zij met een thermometer en een pot vaseline naar boven. En ik kan u verzekeren dat wat er dan gebeurde geen pretje was.

Mijn moeder was lief en zorgzaam. Maar ze kon ook heel streng zijn. Ik was bijvoorbeeld rond mijn tiende levensjaar heel modebewust. In die tijd waren groene puntschoenen in de mode. Ik had ze in de etalage van de schoenenwinkel op de Bree zien staan en ik vond ze prachtig. Dat heb ik mijn moeder duidelijk gemaakt. “We zullen wel zien als de kinderbijslag binnen is”, zei ze. “Misschien zijn ze er dan niet meer”, jengelde ik. Maar daar was mijn moeder niet gevoelig voor. Ik moest wachten. En toen de kinderbijslag er eenmaal was, liep ik hoopvol naast mijn moeder naar de schoenenwinkel. De groene puntschoenen waren nog voorradig. Ook in mijn maat. Even later liepen we de winkel uit. Ik kwaad en teleurgesteld. Want in de doos, die ik van mijn moeder zelf moest dragen, lagen niet de groene puntschoenen die ik zo graag wilde hebben. Nee, mijn moeder had besloten dat ik de komende tijd voor gek moest lopen met van die achterlijke Piedro-schoenen, die in die tijd absoluut niet aansloten bij het modebeeld en de drager ervan een minderwaardigheidscomplex bezorgden. En ze waren nog duurder dan die groene puntschoenen ook. “Maar veel beter voor je voeten”, sprak mijn moeder. “En denk erom, je gaat er niet mee voetballen.”

Nu ik er zo aan terugdenk, begint het te voelen als een soort traumatische ervaring. Het is wellicht de oorzaak van mijn schoenentrauma. Want sinds die tijd heb ik nooit meer plezier beleefd aan het kopen van schoenen. Sterker nog, ik vind schoenen kopen verschrikkelijk. Ik kom ook zelf niet meer in een schoenenwinkel. Toen Tiny er nog was, nam zij schoenen voor me mee. Nu doet mijn dochter dat. Of ik koop ze online. Dat kon vroeger niet.

Gisteren was ik jarig. Ik ben 63 geworden. Van mijn dochter kreeg ik nieuwe schoenen. Mooie bruine. Ik weet zeker dat ik ze met plezier zal dragen. En dat ik er niet mee zal voetballen, maar dat zal de leeftijd zijn…

Geef een antwoord

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd.