Mijn moeder (2) – Piet Ruilebuit

Het is een druilerige zondagmiddag ergens begin jaren ’60. Mijn vader heeft de bandrecorder tevoorschijn gehaald. Hij heeft het apparaat op de salontafel gezet en wij zitten er met z’n vieren omheen. Mijn vader, mijn moeder, mijn zusje en ik. Om de beurt krijgen we de microfoon en mogen we wat zingen, voordragen of gewoon wat vertellen. We maken vanmiddag ons eigen ‘radioprogramma’.

Mijn vader begint. Hij trekt een ernstig gezicht en fluistert in de microfoon: “’t Was nacht. ’t Was een stikdonkere nacht. Zeven rovers zaten in de schaduw van een grassprietje. De roverhoofdman stond op en sprak met fluisterende stem: ’t was nacht. ’t Was een stikdonkere nacht. Zeven rovers zaten in de schaduw van een grassprietje. De roverhoofdman stond op en sprak: ’T WAS NACHT.” De laatste woorden spreekt mijn vader uit met bulderende stem met de bedoeling ons te laten schrikken. Maar wij schrikken niet. We hebben wel vaker met elkaar rond de bandrecorder gezeten en dit verhaaltje is vaste prik. Mijn vader heeft niet zo’n uitgebreid repertoire.

Nee, dan mijn moeder. Zij weet ons elke keer te verrassen met verhaaltjes en liedjes uit haar jeugd. Vanmiddag vertelt ze over kabouter Piggelmee. En dan zingt ze ‘Achter in het stille klooster’. Het is een droevig lied met vele coupletten en mijn moeder kent ze allemaal uit haar hoofd. “Aan de deur van ’t stille klooster, klopt een droeve moeder aan. Ligt mijn zoon hier zwaar gewond soms? ‘k Zou zo gaarne tot hem gaan”, zingt mijn moeder met een mooie galmende stem. Het lied kent een droevig vervolg, maar dat zal ik u hier besparen.

Als mijn zusje en ik na enig gekibbel wie er nu aan de beurt is -hetgeen ook allemaal op de band wordt opgenomen- onze bijdragen aan het ‘radioprogramma’ hebben geleverd, is het weer de beurt aan mijn moeder. Speciaal op ons verzoek draagt ze het gedichtje over Piet Ruilebuit voor. En hoewel het al een heel oud gedichtje is, kent mijn moeder het woord voor woord uit haar hoofd. Ze draagt het ook op een heel speciale manier voor. Mijn moeder schraapt haar keel en begint:

“Piet Ruilebuit, Piet Ruilebuit,
dat is een zonderlinge guit.
Hij ruilt zijn mes soms voor een boek.
En het boek weer voor een lekkere koek.
Ik geloof dat Piet niet vrolijk leeft,
als hij niet wat te ruilen heeft.”

Dan volgen enkele regels over een passerdoos die hij kreeg van zijn ome Koos, maar die hij ruilde voor een oud schietgeweer.

Op dit punt zijn we even aangekomen in het heden, want ik heb u wat uit te leggen. Ik heb namelijk niet het enorm goede geheugen van mijn moeder geërfd. Ik lijk in dat opzicht meer op mijn vader. Ik heb het gedichtje verder helaas niet meer in mijn hoofd zitten. Ik weet alleen nog dat mijn moeder eindigde met de regels: “Oh, het heeft me zo gespeten, maar de kat die heeft hem opgevreten!”

We zijn weer terug in het begin van de jaren ’60 in de kleine huiskamer van de woning aan de Langegeer in Rotterdam-Vreewijk. Mijn moeder heeft zojuist met een snik in haar stem “Oh, het heeft me zo gespeten, maar de kat die heeft hem opgevreten!” uitgesproken. Mijn vader beëindigt de opname en spoelt de band terug. We luisteren naar ons eigen ‘radioprogramma’, inclusief het gekibbel tussen mijn zusje en mij. Dan zet mijn vader een band op met een programma dat hij van de radio heeft opgenomen. Cabaretier Frans Vrolijk ontvangt gasten en vertelt moppen. Over de moeder van Ernst en Pietje, bijvoorbeeld. Iets over een Duitse buschauffeur die vraagt: “Mensch, ist das Ernst? “ Waarop de moeder antwoordt: “Nee, dit is Pietje.”
Een aardig programma, maar het kan niet tippen aan ons eigen ‘radioprogramma’. Het mist namelijk een ster die wij wel in ons programma hadden: mijn moeder.

 

 

 

Geef een antwoord

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd.